Startpagina Dierenvrienden Wondertjes




 

Hoe witte merels zwart werden.


Er was eens een lief zwart spookje.



Ze noemden hem Zwartmop.
De andere spoken plaagden hem veel.
Hij mocht niet mee als zij in de nacht gingen spoken.
“Ze kunnen jou toch niet zien rare Zwartmop,” zeiden ze dan.
Zwartmopje was dan heel verdrietig en ook boos.



Na hun spooktocht vertelden ze hem wat ze beleefd hadden.
Dan had Zwartmopje nog meer verdriet.
“Jullie vinden het leuk als iedereen bang is en dat is gemeen,” zei hij soms.
Dan lachten ze hem allemaal uit.

Zwartmopje vond het ook saai om altijd in de holle spokenboom te blijven.

Op een morgen, toen niemand het zag, ging hij stiekem naar buiten.
Toen zag hij voor het eerst hoe mooi het was in


 het spokenbos.

Als een blij vogeltje zweefde hij daar tussen de bomen. 
Maar de vogels die hem zagen schrokken van hem en vlogen ver weg.
Zwartmopje begreep dat niet.
Hij wilde graag hun vriendje worden.

Arme Zwartmopje.
Vol verdriet ging hij in een donker hoekje van het bos op de grond zitten.

Een toverfee zag hem daar.



Ze wist wel wat er aan de hand was.
Met haar toverstaf raakte ze hem aan.
Dat was fijn voor Zwartmopje.
De toverfee zei:
“Als jij iets goeds wenst voor de vogels zal dat ook echt gebeuren.”
“Dank je wel,” zei hij heel blij.
De toverfee lachte naar hem.
Toen ze verder het bos in vloog riep ze nog:
“Jij bent een lief zwart spookje hoor.”

Vlakbij Zwartmopje zaten vijf witte vogels op een tak.
Die hadden alles gehoord en gezien.

Ze vlogen alle vijf naar Zwartmopje toe.




Een van hen ging op zijn schouder zitten.
Hij maakte allerlei geluidjes.
“Ik wou dat ik je kon verstaan,” zie Zwartmopje.
Toen gebeurde er iets moois.
Ineens zaten ze alle zes in een toverbal.
Zwartmopje verstond toen alles wat de vogels hem vertelden:

“Wij zijn merels, maar onze kleuren zijn mislukt.
Kun jij ons helpen?”




“Dan moeten jullie maar eens een mooi kleurtje uitzoeken,” zei hij.
En opeens zagen ze bij de toverbal alle kleuren van de regenboog.

“Hoera, er is ook geel bij.
Wij willen een gele snavel,” riepen alle vijf de vogels.

“Dan wens ik dat jullie snavels geel worden.”

“En we willen ook een geel randje om onze ogen.”




Zwartmopje vervulde ook die wens.

“Oei,” zei een van de vogeltjes, “er zit geen zwart bij.
Onze veren moeten net zo zwart worden als jij bent.”

“Dan wens ik dat jullie mijn zwart krijgen.”




Toen was er iets gebeurd waar Zwartmopje niet meteen erg in had.
Hij kreeg het pas in de gaten toen de vogels wegvlogen.
Ze riepen allemaal: ”Dank je wel lief wit spookje.”

“Wit spookje?”
Toen pas zag hij het zelf ook.

Hij ging meteen terug naar de spokenboom.
De spoken daar herkenden hem niet.
Heel bedroefd zei Zwartmopje:
“Ik ben Zwartmopje, 
maar mijn kleur is mislukt.”

Nog heel vaak heeft Zwartmopje de vogeltjes geholpen.

Hij heeft ook nog geprobeerd om de gemene spoken in lieve te veranderen.
Maar dat is niet gelukt.
Hij kon alleen maar voor vogeltjes toveren.
Dat deed Zwartmopje het liefste en…



hij leefde nog lang en gelukkig.


MERELS IN DE TUIN

Merels zijn geen sprookjesvogels.
Als je goed oplet zie je er buiten wel.




In het drinkbakje zit een mannetjesmerel.
Die hebben een gele snavel en zwarte veren.
Een mannetjesmerel zingt in de lente heel mooi.




vrouwtjesmerel

De merels in het verhaaltje waren allemaal mannetjes,
want vrouwtjes zijn niet zo zwart en ze hebben geen gele snavel.
De vrouwtjes maken in de lente een nest en leggen er eitjes in.
Ze houdt die lekker warm door er op te gaan zitten.
Zij zit dan te broeden.
In de eitjes groeien de jonge mereltjes.
Als die groot genoeg zijn breken ze de eischaal open en komen er uit gekropen.
Hun mama en papa zoeken dan rupsen en wormen voor hen.
Daar groeien de kleintjes goed van.
Als ze groot genoeg zijn kunnen ze al vliegen en zelf eten gaan zoeken.




Hier zie je een jonge merel.


Naar boven

Hit Counter